ECLI:NL:CBB:2019:641

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
26 november 2019
Publicatiedatum
27 november 2019
Zaaknummer
18/2860
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Msw
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing ontheffing pluimveehouderij op grond van de Meststoffenwet

Appellante, een pluimveehouderij, verzocht om een ontheffing van het verbod om pluimvee te houden zonder voldoende pluimveerechten zoals bedoeld in artikel 20 van Pro de Meststoffenwet. Deze ontheffing zou de eerder verleende ontheffing op grond van de POR 2-regeling vervangen. Verweerder, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, wees dit verzoek af omdat het verlenen van de ontheffing in strijd zou zijn met het beleid gericht op naleving van de fosfaatproductieplafonds.

Appellante voerde in beroep aan dat er geen sprake was van overschrijding van het sectorale fosfaatplafond en dat de pluimveesector veel mestverwerking heeft gerealiseerd. Tevens stelde zij dat de looptijd van de POR-regeling samenvalt met het afschaffen van het dierenrechtenstelsel, dat na 31 december 2017 is gehandhaafd. Daarnaast stelde appellante dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwens-, evenredigheids- en zekerheidsbeginsel, mede vanwege de investeringen die zij had gedaan om de ontheffing te verkrijgen.

Het College verwees naar een eerdere uitspraak van 9 april 2019 waarin vergelijkbare beroepen ongegrond werden verklaard. De gronden van appellante waren inhoudelijk gelijk aan die eerdere zaak en werden daarom eveneens verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de ontheffing op grond van de Meststoffenwet wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2860

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2019 in de zaak tussen

Firma [naam] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten)
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa)

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om een ontheffing op grond van de Meststoffenwet (Msw) afgewezen.
Bij besluit van 24 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante heeft verzocht om ontheffing van het verbod om pluimvee te houden zonder (voldoende) pluimveerechten als bedoeld in artikel 20 van Pro de Msw. Deze ontheffing zou in de plaats treden van de eerder aan appellante verleende ontheffing op grond van de zogenoemde POR 2-regeling.
2. Verweerder heeft dit verzoek bij het primaire besluit afgewezen, omdat het verlenen van een dergelijke ontheffing haaks staat op het beleid dat verweerder voert gericht op de naleving van de voor Nederland geldende fosfaatproductieplafonds.
3. Appellante voert in beroep kort samengevat aan dat er geen sprake is van overschrijding van het sectorale fosfaatplafond en de pluimveesector veel mestverwerking heeft gerealiseerd. Ook zou de looptijd van de POR-regeling tegelijk eindigen met het afschaffen van het dierenrechtenstelsel welk stelsel na 31 december 2017 is gehandhaafd. Verweerder heeft verder gehandeld in strijd met het vertrouwens-, evenredigheids- en zekerheidsbeginsel. Appellante heeft daarbij onder meer verwezen naar de investeringen die zij heeft moeten doen om de ontheffing op grond van de POR te krijgen.
4. Het College overweegt als volgt.
4.1
In zijn uitspraak van 9 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:130) heeft het College in een groot aantal vergelijkbare geschillen als het onderhavige geschil, de beroepen tegen het afwijzen van een ontheffing als ook door appellante verzocht, ongegrond verklaard.
4.2
De gronden die door appellante in het onderhavige beroep zijn aangevoerd zijn inhoudelijk gelijkluidend aan de gronden die in de uitspraak van 9 april jl zijn besproken en waarvan is geoordeeld dat deze niet slagen. Het College komt dan ook, onder verwijzing naar deze uitspraak, tot de slotsom dat hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd niet slaagt.
5. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van S.S. Autar, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. S.S. Autar