ECLI:NL:CBB:2019:641
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing ontheffing pluimveehouderij op grond van de Meststoffenwet
Appellante, een pluimveehouderij, verzocht om een ontheffing van het verbod om pluimvee te houden zonder voldoende pluimveerechten zoals bedoeld in artikel 20 van Pro de Meststoffenwet. Deze ontheffing zou de eerder verleende ontheffing op grond van de POR 2-regeling vervangen. Verweerder, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, wees dit verzoek af omdat het verlenen van de ontheffing in strijd zou zijn met het beleid gericht op naleving van de fosfaatproductieplafonds.
Appellante voerde in beroep aan dat er geen sprake was van overschrijding van het sectorale fosfaatplafond en dat de pluimveesector veel mestverwerking heeft gerealiseerd. Tevens stelde zij dat de looptijd van de POR-regeling samenvalt met het afschaffen van het dierenrechtenstelsel, dat na 31 december 2017 is gehandhaafd. Daarnaast stelde appellante dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwens-, evenredigheids- en zekerheidsbeginsel, mede vanwege de investeringen die zij had gedaan om de ontheffing te verkrijgen.
Het College verwees naar een eerdere uitspraak van 9 april 2019 waarin vergelijkbare beroepen ongegrond werden verklaard. De gronden van appellante waren inhoudelijk gelijk aan die eerdere zaak en werden daarom eveneens verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de ontheffing op grond van de Meststoffenwet wordt ongegrond verklaard.