Appellante, exploitant van een melkveebedrijf, maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet, mede vanwege dierziekten die haar productie beïnvloedden en investeringen in een staluitbreiding. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van het aantal dieren op 1 mei 2015 en paste de generieke korting toe.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantastte en dat sprake was van een individuele en buitensporige last, mede door de uitbraak van dierziekten en de noodzaak tot renovatie van haar stal. Verweerder betwistte deze stellingen en stelde dat appellante niet voldeed aan de 5%-drempel voor verhoging van het fosfaatrecht en dat het stelsel verenigbaar is met het recht op eigendom.
Het College concludeerde dat appellante geen rechtsmiddel was onthouden, dat het aantal jongvee correct was vastgesteld, en dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met het recht op eigendom. Tevens werd geoordeeld dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het stelsel een individuele en buitensporige last oplevert. Het financiële rapport toonde aan dat het bedrijf ook zonder het stelsel verlieslatend zou zijn geweest.
Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing werd niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan appellante.