ECLI:NL:CBB:2020:242
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over fosfaatrechten en proceskostenvergoeding bij uitbreiding melkveehouderij
Appellante, een melkveehouderij, voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de vaststelling van haar fosfaatrecht. Het geschil betrof onder meer de toepassing van de knelgevallenregeling en de vraag of het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last opleverde. Het College oordeelde dat de knelgevallenregeling correct was toegepast en dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd was met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
Het College overwoog dat investeringen en financieringsverplichtingen die na de peildatum zijn aangegaan voor eigen risico van de melkveehouder komen. Appellante had pas na de peildatum een financieringsvoorstel ondertekend en een melding gedaan voor de uitbreiding, waardoor geen sprake was van een schending van eigendomsrechten. Ook de overige financiële verplichtingen in verband met grondaankoop en kavelruil waren ondernemersbeslissingen met inherent risico.
Het beroep slaagde echter deels omdat de minister ten onrechte de vergoeding van bezwaarkosten had geweigerd. Het College vernietigde dit deel van het besluit en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellante, waaronder het betaalde griffierecht en een bedrag van € 2.100,- voor beroepsmatige rechtsbijstand.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de bezwaarkosten en proceskosten aan appellante.