ECLI:NL:CBB:2020:243
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking taxivergunning wegens aanbieden taxivervoer tijdens schorsing op Amsterdamse opstapmarkt
Appellant, werkzaam als taxichauffeur in Amsterdam, beschikte over een Taxxxivergunning die op 20 december 2017 voor vier weken werd geschorst. Op 6 januari 2018 werd hij op een laad- en losplaats, bekend als illegale opstapplaats, staande gehouden terwijl hij met een taxi met blauwe kentekenplaten stond. De verbalisant stelde vast dat appellant taxivervoer aanbood terwijl zijn vergunning geschorst was, wat een overtreding van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 oplevert.
Appellant voerde aan dat hij niet actief taxivervoer aanbood maar wachtte op een telefoontje en dat zijn auto een lekke band had, ondersteund door getuigenverklaringen. Het College achtte deze verklaringen niet geloofwaardig vanwege het late tijdstip van overleggen, tegenstrijdigheden in verklaringen en het ontbreken van melding van een lekke band tijdens de staande houding. Tevens bleek uit een uitdraai van 'Mijn ANWB' en een factuur dat de band op dat moment niet lek was.
Het College stelde vast dat het stilstaan op een als illegale opstapplaats bekendstaande laad- en losplaats zonder het uitvoeren van een bestelde rit, wordt aangemerkt als het aanbieden van taxivervoer. Aangezien appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij daar was vanwege een bestelde rit of overmacht, concludeerde het College dat hij de Taxxxivergunning heeft overtreden. Op grond van het handhavingsbeleid leidt een dergelijke overtreding tot intrekking van de vergunning.
Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunning bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de taxivergunning bevestigd.