Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020 in de zaak tussen
maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
niet-melkveehoudende bedrijven onder het bereik van de Regeling. Er bestonden evenwel plannen deze bedrijven buiten het bereik van de Regeling te plaatsen. De opfokker wilde de acht pinken overnemen van appellante zodra deze plannen daadwerkelijk in de Regeling zouden zijn opgenomen, omdat hij anders zelf heffingen opgelegd zou kunnen krijgen. Aan deze door de opfokker gestelde voorwaarde werd op 26 april 2017 voldaan. Appellante heeft de dag erna, op 27 april 2017, de acht pinken naar het bedrijf van de opfokker verplaatst. Omdat appellante zo laat in april de pinken heeft verplaatst, is haar maandgemiddelde die maand 0,1 GVE te hoog. Haar doelstellingsaantal voor april was 210,73 GVE en zij hield die maand 210,83 GVE. Bij een strikte toepassing van de Regeling dient appellante daarom voor periode 1 een hoge geldsom van € 1.636,80 te betalen. Voor de navolgende vier periodes heeft verweerder aan appellante bonusgeldsommen toegekend. Als appellante begin april 2017 er al toe was overgegaan de acht pinken te verplaatsen, had verweerder haar ook voor periode 1 een bonusgeldsom toegekend.
“Onze Minister kan in door hem te bepalen gevallen of groepen van gevallen tot gehele of gedeeltelijke restitutie overgaan van hetgeen ingevolge het bepaalde krachtens het eerste lid is betaald en gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting tot het betalen van een geldsom.”
Beslissing