ECLI:NL:CBB:2020:270
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrecht en proceskostenveroordeling bij melkveehouderij
Appellante, een melkveehouderij, betwist de vaststelling van haar fosfaatrecht door verweerder op grond van de Meststoffenwet. Zij stelde dat de melkproductie hoger was dan door verweerder vastgesteld en voerde bijzondere omstandigheden aan vanwege dierziekte. Verweerder hanteerde de aan de melkfabriek geleverde melkproductie vermeerderd met aannemelijk geachte hoeveelheden niet geleverde melk, maar wees het beroep op de knelgevallenregeling af.
Het College oordeelt dat appellante onvoldoende bewijs leverde voor de opgegeven hoeveelheden niet geleverde melk en dat verweerder terecht het aantal behandeldagen voor antibioticamelk op nul stelde, zonder dat dit invloed had op de excretienorm. Het beroep op het rollend jaargemiddelde als bewijs voor hogere productie wordt verworpen.
Het College concludeert dat het fosfaatrecht juist is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Vanwege een gebrekkige motivering in het bestreden besluit wordt dit gebrek gepasseerd. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht aan appellante vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in proceskostenvergoeding.