ECLI:NL:CBB:2019:359
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling fosfaatrecht op basis van melkproductie 2015
Appellante betwistte de door verweerder vastgestelde fosfaatrechten, stellende dat de totale melkproductie in 2015 hoger was dan door verweerder aangenomen. Verweerder had de totale melkproductie vastgesteld op 413.179 kg, inclusief vervoederde melk, en het fosfaatrecht op 2.656 kg met een generieke korting van 8,3%.
Appellante voerde aan dat er meer melk was geproduceerd, onder meer door eigen consumptie, vervoedering aan kalveren, vernietiging van melk vanwege superheffing en antibioticagebruik. Het College oordeelde dat verweerder terecht rekening had gehouden met vervoederde melk en dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd voor een verdere verhoging van de melkproductie.
Het College wees erop dat het rollend jaargemiddelde slechts een indicatie is en niet gelijkgesteld kan worden aan het feitelijke gemiddelde. Ook de stukken over antibioticagebruik en vernietigde melk boden onvoldoende concrete onderbouwing. De verklaring voor minder melklevering in het tweede kwartaal werd niet met stukken ondersteund.
Daarom concludeerde het College dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit terecht is genomen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht is ongegrond verklaard.