Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen
de eenmanszaak [naam 2], te [plaats] , appellante
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante, een melkveehouder die haar bedrijf had uitgebreid en investeringen had gedaan in een rundveestal, stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast en een individuele en buitensporige last oplegt. Zij voerde aan dat zij met de toegekende fosfaatrechten slechts 77,5% van haar stalcapaciteit kan benutten, waardoor haar investeringen waardeloos zijn geworden en de bedrijfsopvolging in gevaar komt.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat het stelsel voorzienbaar was. De last voor appellante bestaat uit het tekort aan fosfaatrechten om haar beoogde bedrijfsvoering te realiseren, maar dit vormt geen individuele en buitensporige last omdat ondernemersrisico's inherent zijn aan investeringsbeslissingen. De gefaseerde groei en eigen aanwas van het vee behoren tot het ondernemersrisico.
Het College concludeerde dat de belangen van milieubescherming en volksgezondheid zwaarder wegen dan de belangen van appellante. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het College veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van appellante wegens een motiveringsgebrek dat niet tot nadeel leidde.
Uitkomst: Het beroep tegen het fosfaatrechtenbesluit wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.