ECLI:NL:CBB:2020:292
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht na bedrijfuitbreiding melkveehouderij
Appellante, een melkveehouderij, had in 2011 een aanzienlijke uitbreiding van haar bedrijf gepland en geïnvesteerd in vergunningen en stallen voor meer melk- en kalfkoeien en jongvee. Op de peildatum in 2015 hield zij minder dieren dan beoogd. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de daadwerkelijke dierenaantallen en paste een generieke korting toe. Appellante voerde aan dat dit een individuele en buitensporige last opleverde, mede vanwege haar investeringen en vergunningen.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel verenigbaar is met het eigendomsrecht en dat ondernemersbeslissingen inherent risico's met zich meebrengen die niet op het collectief kunnen worden afgewenteld. Gezien het tijdstip van de investeringen en de bekendheid met de afschaffing van het melkquotum, had appellante voorzichtigheid moeten betrachten. Het rapport dat appellante overlegd had, werd niet doorslaggevend geacht.
Hoewel het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd omdat het niet specifiek op de individuele last inging, werd dit gebrek gepasseerd omdat aannemelijk was dat appellante hierdoor niet benadeeld werd. Het beroep werd ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van griffierecht en proceskosten.