ECLI:NL:CBB:2020:317
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Herziening fosfaatrecht na diergezondheidsproblemen en proceskostenveroordeling
Appellante betwistte het door verweerder vastgestelde fosfaatrecht op grond van artikel 23 van Pro de Meststoffenwet, waarbij verweerder het fosfaatrecht aanvankelijk had vastgesteld op 4.647 kg en later op 6.042 kg na bezwaar. Verweerder paste de knelgevallenregeling toe vanwege diergezondheidsproblemen die vanaf juni 2014 waren ingetreden, en baseerde de melkproductie op het gehele kalenderjaar 2014.
Appellante stelde dat de melkproductie in de periode juni tot en met december 2014 niet representatief was door de dierziekte en betoogde dat alleen de periode januari tot en met mei 2014 als representatief kon gelden. Het College oordeelde echter dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze korte periode representatief was, mede omdat factoren als afkalfperiode, weersomstandigheden en voer niet waren meegenomen. Ook had appellante geen inzicht gegeven in de toename van melkproductie in de laatste maanden van 2013, wat relevant was voor een representatief beeld.
Het College concludeerde dat appellante niet benadeeld was door het door verweerder gehanteerde excretieforfait van 39,1. Wel erkende verweerder dat het fosfaatrecht onjuist was vastgesteld en het College vernietigde het bestreden besluit. Vervolgens stelde het College het fosfaatrecht zelf vast op 6.150 kg. Daarnaast veroordeelde het College verweerder in de proceskosten van appellante, inclusief vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het College vernietigt het bestreden besluit en stelt het fosfaatrecht van appellante vast op 6.150 kg met veroordeling van verweerder in proceskosten.