ECLI:NL:CBB:2020:693
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van Meststoffenwet
Appellante, een melkveehouderij, had beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw tot vaststelling van haar fosfaatrecht op basis van de Meststoffenwet. Zij stelde dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd was met de Nitraatrichtlijn, ongeoorloofde staatssteun betrof en dat het stelsel haar een individuele en buitensporige last oplegde vanwege investeringen en bedrijfsgroei.
Het College overwoog dat het stelsel van fosfaatrechten verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat de Europese Commissie het stelsel heeft goedgekeurd als geen ongeoorloofde staatssteun. Bij de beoordeling van de individuele last weegt het College mee of de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid en of hij beschikte over de benodigde vergunningen op de peildatum. Appellante had slechts een ontwerpbesluit overgelegd en geen definitieve vergunningen, waardoor niet kon worden vastgesteld dat zij recht had op de gewenste dieraantallen.
Het College concludeerde dat het beroep ongegrond is omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een buitensporige last en dat het stelsel voorzienbaar was. Ook de investeringen van appellante kwamen voor eigen risico. Het beroep werd verworpen zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. J.L. Verbeek op 13 oktober 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht is ongegrond verklaard.