ECLI:NL:CBB:2020:72

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
28 januari 2020
Publicatiedatum
4 februari 2020
Zaaknummer
19/1736
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake uitbreiding dierentuinvergunning

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor wijziging en uitbreiding van haar dierentuinvergunning om twee Sri Lanka panters en twee sneeuwluipaarden te houden en tentoon te stellen. Deze aanvraag is door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit afgewezen. Vervolgens is het bezwaar van verzoekster gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond.

Verzoekster stelde dat spoedeisend belang aanwezig was vanwege een voornemen van de minister om handhavend op te treden indien de Sri Lanka panters zonder vergunning aan het publiek zouden worden getoond. Zij verzocht daarom om een voorlopige voorziening zodat de dieren in het nieuwe verblijf gehouden en tentoongesteld mochten worden.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat een e-mail met een voornemen tot handhaving onvoldoende is om van onverwijlde spoed te spreken. Er was nog geen handhavingsbesluit genomen en het stond verzoekster vrij om al dan niet over te gaan tot het tentoonstellen. Mocht de minister alsnog handhavend optreden, dan kon op dat moment een nieuw verzoek om voorlopige voorziening worden ingediend.

Daarom werd het verzoek afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. J.L. Verbeek op 28 januari 2020.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1736
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 januari 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam 1] B.V. h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de door verzoekster ingediende aanvraag voor een wijziging dan wel uitbreiding van haar dierentuin, afgewezen.
Bij besluit van 17 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Gelet op het navolgende ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak te doen.
2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor het wijzigen of het uitbreiden van haar dierentuinvergunning ten behoeve van het houden en tentoonstellen van twee Sri Lanka panters (Panthera pardus kotiya), reeds in de dierentuin aanwezig, en twee sneeuwluipaarden (Panthera uncia) die in de toekomst in hetzelfde verblijf zullen worden gehuisvest. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen.
3. Verzoekster heeft omtrent het spoedeisend belang naar voren gebracht dat uit haar contact met verweerder is gebleken dat verweerder voornemens is handhavend op te treden als de betreffende Sri Lanka panters worden tentoongesteld aan het publiek. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter ten aanzien van deze panters een voorziening te treffen inhoudende dat de dieren in het nieuwe buitenverblijf mogen worden gehouden en tentoongesteld en daarbij te overwegen dat het nieuwe verblijf aan alle ter zake relevante eisen voldoet.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat een e-mailbericht met een voornemen tot handhavend optreden indien appellante (toch) zonder toereikende vergunning overgaat tot het houden en tentoonstellen van dieren, onvoldoende is om thans in het kader van de vergunningprocedure te kunnen spreken van onverwijlde spoed dat het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Verweerder heeft immers ter zake het houden en tentoonstellen van de betreffende panters tot op heden geen handhavend besluit genomen. Het is bovendien aan appellante zelf om de keuze te maken daartoe over te gaan. Indien verweerder alsnog besluit tot handhavend optreden daartegen, kan verzoekster alsdan, indien gewenst, een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2020.
w.g. J.L. Verbeek w.g. A. Verhoeven
Afschrift verzonden aan partijen op: