Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
Overwegingen
13 september 2018 onder de in de brief genoemde voorschriften en beperkingen toestemming verleend voor het bouwen van een dierenverblijf voor het houden van de Sri Lanka panter en het sneeuwluipaard, zoals staat in de aanvraag, om uiteindelijk na een inspectie als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van het Bhd een besluit te kunnen nemen omtrent een vergunning als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Bhd.
4 juli 2018 ongegrond verklaard. Volgens verweerder is geen sprake van een melding van een voorgenomen beperkte wijziging of uitbreiding van de dierentuin, waarvoor de reeds verleende vergunning geldt, en heeft appellante met de aanvraag van 28 februari 2018 dus een aanvraag tot wijziging of uitbreiding van haar dierentuinvergunning ingediend. Verweerder heeft genoemd bezwaar ongegrond verklaard, omdat de voor de vergunningverlening vereiste fysieke inspectie nog niet kon worden uitgevoerd aangezien het verblijf nog niet daadwerkelijk was gerealiseerd.
13 augustus 2019 overgelegde, aangepaste bouwtekening is naar zijn mening echter wederom niet in overeenstemming met het gerealiseerde verblijf, zoals tijdens de visitatie is geconstateerd en op foto’s is vastgelegd. In zoverre is het bezwaar volgens verweerder ongegrond.
13 augustus 2019 overleggen van een aangepaste bouwtekening moet worden geacht te zijn vervangen door een nieuwe aanvraag voor het wijzigen van haar dierentuinvergunning. De stelling van appellante dat zij daarmee geen nieuwe aanvraag heeft ingediend, maar dat slechts sprake is van een aanpassing van de aanvraag van 28 februari 2018, volgt het College niet. Uit de bouwtekening die appellante heeft overgelegd blijkt dat appellante de functionaliteit van het dierenverblijf wezenlijk heeft gewijzigd, zodanig dat dit niet langer geacht kan worden binnen de reikwijdte van de aanvankelijke aanvraag te vallen. De aanvankelijke aanvraag was onder meer gericht op het realiseren van een binnenverblijf dat, voor zover hier van belang, bestond uit vier op een rij gelegen compartimenten die via in de tussenmuren geplaatste schuifhekken met elkaar konden worden verbonden of van elkaar konden worden gescheiden. Dit heeft appellante, door in de middelste binnenmuur geen opening meer te voorzien, gewijzigd in een binnenverblijf bestaande uit twee gescheiden blokken, elk bestaande uit twee compartimenten die alleen onderling met elkaar zijn verbonden. Naar het oordeel van het College heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit, waarbij de aanvankelijke aanvraag was afgewezen, in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.
13 augustus 2019 en daarnaast ook de bezwaren van appellante die tevens van toepassing zijn op de beslissing op de nieuwe aanvraag heeft “meegenomen”. Naar het oordeel van het College moet verweerder met het meenemen van genoemde bezwaren worden geacht bij het bestreden besluit tezelfdertijd ook te hebben beslist op die bezwaren in die zin dat de bezwaren tegen de afwijzing van de nieuwe aanvraag eveneens ongegrond zijn verklaard. Het College zal daarom in dit specifieke geval, in overeenstemming met de wens van partijen om het geschil nu definitief te beslechten, hierna de gronden die appellante in beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de afwijzing van de nieuwe aanvraag inhoudelijk beoordelen en verder de door partijen gevolgde procedure in bezwaar met betrekking tot de primaire beslissing op de nieuwe aanvraag buiten beschouwing laten.