Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2020 in de zaak tussen
[naam 2] V.O.F, appellante, te [plaats] , tezamen te noemen appellanten,
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellanten, exploitanten van een melkveebedrijf, stelden beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van de dierenaantallen op 2 juli 2015. Zij voerden aan dat zij als knelgeval moesten worden aangemerkt vanwege de ziekte van hun zoon die de bedrijfsvoering vanaf 2013 beïnvloedde, en dat het fosfaatrechtenstelsel onrechtmatig was vanwege strijd met het EP, de Nitraatrichtlijn en ongeoorloofde staatssteun.
Het College overwoog dat de knelgevallenregeling geen ruimte biedt voor niet gerealiseerde uitbreidingen en dat appellanten geen alternatieve peildatum konden aantonen die een lager fosfaatrecht zou rechtvaardigen. Het fosfaatrechtenstelsel werd bevestigd als noodzakelijk en verenigbaar met het EP en de Nitraatrichtlijn, en de Europese Commissie had het stelsel goedgekeurd als geen ongeoorloofde staatssteun.
De financiële gevolgen voor appellanten werden erkend, maar het College benadrukte dat ondernemersrisico's inherent zijn aan investeringsbeslissingen en dat de ziekte van de zoon en het ontbreken van vergunningen op de peildatum geen individuele en buitensporige last opleveren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.