ECLI:NL:CBB:2020:850
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid fosfaatrechtenstelsel en staatssteun onder Meststoffenwet
Appellante, een melkveehouderij met op de peildatum 244 melk- en kalfkoeien en 198 jongvee, kreeg op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet een fosfaatrecht vastgesteld door verweerder. Dit recht werd vastgesteld op 13.029 kg, rekening houdend met een generieke korting van 8,3%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
In het beroep stelde appellante dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het fosfaatrechtenstelsel en dat sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun. Verweerder verwees naar eerdere uitspraken van het College en een goedkeuringsbeschikking van de Europese Commissie die het stelsel rechtmatig verklaren. Het College oordeelde dat deze bezwaren niet ontvankelijk zijn bij exceptieve toetsing en dat verweerder inhoudelijk op de gronden heeft gereageerd, waardoor geen motiveringsgebrek bestaat.
Het College bevestigde dat het fosfaatrechtenstelsel in overeenstemming is met de Nitraatrichtlijn en dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. J.L. Verbeek op 17 november 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht en de vermeende ongeoorloofde staatssteun wordt ongegrond verklaard.