Appellante, een moedermaatschappij, stelde hoger beroep in tegen een besluit van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) waarin zij als overtreder van het kartelverbod werd aangemerkt en mede aansprakelijk werd gesteld voor een boete opgelegd aan haar 100% dochteronderneming.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat aan appellante zelf geen boete was opgelegd. In hoger beroep betoogde appellante dat het bestreden besluit wel negatieve rechtsgevolgen voor haar heeft, zoals risico op uitsluiting bij aanbestedingen en civielrechtelijke aansprakelijkheid.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard. Het bestreden besluit is een beslissing op bezwaar en appellante heeft wel degelijk belang bij het aanvechten van de vaststelling dat zij overtreder is. Het hoger beroep is daarom kennelijk gegrond.
Het College vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens werd ACM veroordeeld in de proceskosten en werd het betaalde griffierecht aan appellante terugbetaald.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 18 februari 2020 door een meervoudige kamer van het College.