ECLI:NL:CBB:2020:912
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenvaststelling en individuele last in het kader van de Meststoffenwet
Appellante exploiteert een melkveehouderij en startte in 2014 met de uitbreiding van haar stal terwijl de omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk was. Door langdurige juridische procedures liep de verbouwing vertraging op. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de dierenaantallen op 2 juli 2015, waarbij een generieke korting werd toegepast.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast en dat zij een individuele en buitensporige last draagt, omdat zij haar investeringen niet kon terugverdienen door de bouwstop en schorsing van de vergunning. Verweerder betwistte dit en stelde dat appellante zelf de risico’s van haar investeringsbeslissingen draagt en dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met het recht op eigendom.
Het College oordeelt dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Verder is niet gebleken dat appellante een individuele en buitensporige last draagt. De investeringsbeslissingen van appellante zijn niet navolgbaar, mede gezien de afschaffing van het melkquotum en de waarschuwingen over productiebeperkende maatregelen. De belangen van milieu en volksgezondheid wegen zwaarder dan die van appellante.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vaststelling van haar fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard.