ECLI:NL:CBB:2020:916

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
1 december 2020
Publicatiedatum
30 november 2020
Zaaknummer
19/1131
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23, derde lid, MeststoffenwetNatuurbeschermingswet 1998
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van Meststoffenwet

Appellante, exploitant van een melkveehouderij, betwistte het door de minister vastgestelde fosfaatrecht op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Zij voerde aan dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het fosfaatrechtenstelsel en dat dit stelsel leidt tot ongeoorloofde staatssteun. De minister stelde het fosfaatrecht vast op basis van de dieraantallen op de peildatum 2 juli 2015, met toepassing van een generieke korting.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de aangevoerde beroepsgronden niet slagen. Het verwees naar eerdere uitspraken waarin deze punten reeds zijn behandeld en verworpen. De minister was inhoudelijk op de gronden ingegaan en er was geen sprake van een motiveringsgebrek.

Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door mr. J.L. Verbeek op 1 december 2020, zonder ondertekening door voorzitter en griffier wegens verhindering.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1131

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2020 in de zaak tussen

[naam] V.O.F. te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. E.H.E.J. Wijnen)
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Leegsma)

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2018 (primair besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.
Bij besluit van 25 april 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2020. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Overwegingen

Relevante bepalingen
1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
Feiten
2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Zij heeft in 2009 een nieuwe stal gebouwd.
Zij heeft op 2 januari 2012 bij Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een vergunning aangevraagd op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) voor de uitbreiding van haar veehouderij naar 187 melkkoeien en 105 stuks jongvee. Ze heeft in 2014 een bestaande stal verbeterd en uitgebreid. De aangevraagde Nbw-vergunning is haar op 11 februari 2015 verleend. Appellante had op de peildatum 2 juli 2015 129 melkkoeien en 106 stuks jongvee.
Besluiten van verweerder
3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 6.621 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.
Beroepsgronden
4. Appellante heeft in beroep aangevoerd, samengevat, dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het fosfaatrechtenstelsel en dat dat stelsel leidt tot ongeoorloofde staatssteun. Deze gronden kunnen bij wege van exceptieve toetsing aan de orde komen. Verweerder is hier volgens appellante ten onrechte niet op ingegaan.
Standpunt van verweerder
5. Verweerder heeft voormelde standpunten van appellante betwist.
Beoordeling
6.1.
De beroepsgrond dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun slaagt niet. Het College verwijst naar zijn eerdere uitspraken hierover, bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291 en van 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:615. Verweerder is in het bestreden besluit inhoudelijk op deze beroepsgrond van appellante ingegaan. Van een motiveringsgebrek is geen sprake.
6.2.
Het College zal het beroep ongegrond verklaren.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinkaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.