Appellante, een landbouwbedrijf, kreeg in 2019 een herberekening van haar basis- en vergroeningsbetaling 2015 opgelegd door verweerder, naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek naar fosfaatfraude. Verweerder stelde dat een aantal percelen niet feitelijk in gebruik waren op de peildatum 15 mei 2015, gebaseerd op verklaringen van een derde en NVWA-rapporten. Hierdoor moest appellante een bedrag terugbetalen.
Appellante voerde aan dat zij wel degelijk over geldige gebruikstitels beschikte en de percelen feitelijk gebruikte voor landbouwkundige activiteiten, met bewijsstukken en verklaringen van medewerkers. Het College oordeelde dat verweerder onvoldoende gemotiveerd had waarom de verklaringen van de derde zwaarder wogen dan die van appellante. Ook konden verklaringen van andere betrokkenen naast die van appellante bestaan zonder elkaar uit te sluiten.
Het College concludeerde dat het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd was en in strijd met het motiveringsbeginsel uit de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellante.