ECLI:NL:CBB:2021:1056

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
2 december 2021
Publicatiedatum
6 december 2021
Zaaknummer
21/1110
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betaald moet worden bij een dergelijk verzoek.

De griffier heeft appellant per aangetekende post een nota gestuurd met een betalingstermijn van twee weken. Uit de informatie van PostNL blijkt dat de nota op tijd is uitgereikt. Appellant heeft het griffierecht echter niet betaald en er is geen aanwijzing dat hij niet in verzuim is geweest.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 2 december 2021 door de voorzieningenrechter R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/1110
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A. El Kadi),
en

de minister voor Medische Zorg, verweerder.

Procesverloop

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
12 juli 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:5527). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. De griffier van het College stelt op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Als het griffierecht niet of niet op tijd wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de verzoeker in verzuim is geweest.
De griffier heeft op 23 oktober 2021 per aangetekende post een nota verzonden aan verzoeker met de mededeling dat het griffierecht binnen twee weken na dagtekening van die nota moet zijn betaald. Daarbij is ook medegedeeld dat het niet of niet tijdig betalen van deze nota kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de nota op 26 oktober 2021 is uitgereikt.
Verzoeker heeft het griffierecht niet betaald. Er is geen aanwijzing dat verzoeker niet in verzuim is geweest.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2021.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op: