Op 23 november 2017 inspecteerde de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit een levensmiddelenbedrijf waar ernstige hygiëneproblemen werden geconstateerd, waaronder vuilaanslag, beschadigde muurtegels en ijsvorming in koelruimtes. Naar aanleiding hiervan legde de Minister voor Medische Zorg een boete van €1.050,- op wegens overtreding van het Warenwetbesluit hygiëne in samenhang met de Europese Verordening 852/2004.
Eiser voerde onder meer aan dat niet alle ruimtes als bedrijfsruimte konden worden aangemerkt en dat hij ten onrechte niet was gehoord in bezwaar. De rechtbank oordeelde dat alle ruimtes binnen het levensmiddelenbedrijf als bedrijfsruimte gelden, ongeacht of er levensmiddelen worden bereid of opgeslagen. De inspectierapporten werden als betrouwbaar beoordeeld en de overtredingen waren voldoende vastgesteld.
De rechtbank stelde vast dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat van een hoorplicht kon worden afgezien. Ook was het niet vereist om in het dictum van het besluit op bezwaar expliciet te vermelden dat het bezwaar kennelijk ongegrond werd verklaard. Het beroep tegen het intrekkingsbesluit werd niet-ontvankelijk verklaard, terwijl het beroep tegen het boetebesluit ongegrond werd verklaard. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.