ECLI:NL:CBB:2021:113
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling fosfaatrecht en toepassing fosfaatrechtenstelsel
Appellant, een melkveehouder, voerde beroep aan tegen het besluit waarbij zijn fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van het fosfaatrechtenstelsel, omdat hij door dit stelsel niet het aantal koeien mocht houden waarvoor hij investeringen had gedaan. Hij stelde dat het stelsel een individuele en buitensporige last opleverde en dat er sprake was van rechtsongelijkheid omdat startende melkveehouders wel gedeeltelijk werden gecompenseerd.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel verenigbaar is met het recht op eigendom zoals neergelegd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De investeringsbeslissingen van appellant op 23 en 24 december 2013 werden niet als navolgbaar beoordeeld, mede gezien de afschaffing van het melkquotum en de te verwachten productiebeperkende maatregelen. Het feit dat appellant milieu- en Nbw-vergunningen had, bood geen vertrouwen dat geen productiebeperkende maatregelen zouden worden getroffen.
Het College weegt mee dat ondernemersbeslissingen inherent risico's met zich meebrengen en dat niet ieder vermogensverlies een buitensporige last vormt. De belangen van milieu- en volksgezondheid en de naleving van de Nitraatrichtlijn wegen zwaarder dan de belangen van appellant. De keuze van de wetgever om geen knelgevallenvoorziening voor uitbreiders te treffen, maar wel voor starters, is niet ontoelaatbaar en er is geen sprake van rechtsongelijkheid.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen vergoeding voor reiskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.