ECLI:NL:CBB:2021:140
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van Meststoffenwet ongegrond verklaard
Appellant exploiteert een melkveehouderij en heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw waarin het fosfaatrecht op zijn bedrijf werd vastgesteld op basis van de dierenaantallen op 2 juli 2015. Appellant stelde dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met artikel 1 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP) en dat hij door het stelsel investeringen onbenut moest laten, wat een individuele en buitensporige last zou vormen.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 EP Pro en dat het stelsel voorzienbaar was, mede gezien de afschaffing van het melkquotum en de waarschuwingen vooraf. De investeringen van appellant in een nieuwe ligboxenstal en uitbreiding van het bedrijf werden gezien als ondernemersbeslissingen die risico's met zich meebrengen, waarvan appellant de gevolgen moet dragen.
Hoewel appellant financieel werd geraakt door het fosfaatrechtenstelsel, oordeelde het College dat dit onvoldoende is om te spreken van een individuele en buitensporige last. De belangen van milieu en volksgezondheid, en de naleving van de Nitraatrichtlijn, wegen zwaarder dan de belangen van appellant. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.