Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen
[naam 2], appellant en
[naam 3], appellante, te [plaats] , tezamen te noemen appellanten
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellanten, exploitanten van een melkveehouderij, voerden beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw waarin het fosfaatrecht op hun bedrijf werd vastgesteld op basis van de situatie op 2 juli 2015. Zij stelden dat zij vanwege bouwwerkzaamheden en een langdurig vergunningentraject hun veestapel niet konden uitbreiden en beriepen zich op de knelgevallenregeling van de Meststoffenwet.
Het College overwoog dat de knelgevallenregeling slechts geldt indien het fosfaatrecht minimaal 5% lager is door bijzondere omstandigheden, wat in dit geval niet is aangetoond. Het fosfaatrechtenstelsel is op regelingsniveau verenigbaar met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Ook is geen sprake van een individuele en buitensporige last, mede omdat de investeringsbeslissingen van appellanten niet navolgbaar zijn en geen bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond.
Verder weegt het College mee dat vertragingen in vergunningverlening voor rekening en risico van de ondernemer komen. De wens van appellanten om uit te breiden maakt de uitbreiding niet noodzakelijk. Het beroep wordt derhalve ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellanten tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.