ECLI:NL:CBB:2021:255
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenstelsel en individuele last bij melkveehouderij-uitbreiding
Appellante, een melkveehouderij in [plaats], voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin haar fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van de situatie op 2 juli 2015. Zij stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht schendt en een individuele en buitensporige last oplegt, mede vanwege haar investeringen en uitbreidingsplannen sinds 2008.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel, zoals vastgelegd in de Meststoffenwet, gericht is op het reguleren van mestproductie en niet vergelijkbaar is met het Wvgm-stelsel dat groei mogelijk maakt. De investeringen en uitbreidingsplannen van appellante waren mede genomen in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de daarmee samenhangende maatregelen, waardoor het risico van investeringen voor eigen rekening komt. Het College concludeerde dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last en dat de belangen van milieu en volksgezondheid zwaarder wegen.
Daarnaast oordeelde het College dat het beroep ongegrond is, maar dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure met ruim zeven maanden is overschreden. Daarom werd appellante een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- toegekend, waarvan € 428,57 voor rekening van de minister en € 571,43 voor rekening van de Staat. Tevens werden verweerder en de Staat ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van appellante.
De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het fosfaatrechtenstelsel en benadrukt dat ondernemersrisico's voor eigen rekening zijn, terwijl de bescherming van het milieu en de naleving van Europese verplichtingen prevaleren.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard, het fosfaatrechtenstelsel is rechtmatig, maar appellante ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.