Appellante exploiteert een melkveehouderij en wilde haar bedrijf uitbreiden. Op 2 juli 2015 beschikte zij niet over de vereiste vergunningen voor de uitbreiding, die pas op 21 juli 2015 werd verleend. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van het aantal dieren op de peildatum en verleende geen ontheffing op grond van de Meststoffenwet.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrecht een onaanvaardbare inbreuk op haar eigendomsrecht vormt en dat sprake is van een individuele en buitensporige last, mede gezien een eerdere ontheffing op grond van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij (Wvgm). Het College oordeelde dat appellante niet aan haar bewijslast voldeed en dat de ontheffing onder de Wvgm geen rechtvaardigde verwachting schept voor het fosfaatrechtenstelsel.
Het College stelde vast dat de investeringen van appellante vooruitliepen op de benodigde vergunningen en dat niet ieder vermogensverlies als individuele en buitensporige last kan worden aangemerkt. Het bestreden besluit ontbrak een voldoende draagkrachtige motivering, maar dit leidde niet tot benadeling van appellante.
Het beroep werd ongegrond verklaard, verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht werd aan appellante vergoed.