ECLI:NL:CBB:2021:332
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Geen fosfaatrecht voor mannelijk jongvee jonger dan een jaar niet voor melkveehouderij gehouden
Appellant exploiteert een zoogkoeien- en vleesveehouderij en betwist dat voor dertien stuks mannelijk jongvee jonger dan een jaar fosfaatrecht is toegekend. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van het feit dat deze dieren niet voor de melkveehouderij werden gehouden, conform de Meststoffenwet.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze dieren onder de definitie van melkvee vallen. Het College stelt vast dat de dieren op de peildatum geregistreerd stonden als jongvee jonger dan een jaar, maar dat het niet aannemelijk is dat zij voor de melkveehouderij werden gehouden. Het bedrijf van appellant is ingeschreven onder een SBI-code die vleesveehouderij betreft en appellant kon niet aantonen dat de dieren aan melkveehouderijen zijn verkocht.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat appellant niet concreet heeft onderbouwd dat het fosfaatrechtenstelsel onderscheid maakt tussen gelijke gevallen. Daarnaast is de overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld, waardoor appellant recht heeft op een immateriële schadevergoeding. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het vervangingsbesluit II ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het vervangingsbesluit II is ongegrond verklaard en er is geen fosfaatrecht toegekend voor mannelijk jongvee jonger dan een jaar dat niet voor de melkveehouderij wordt gehouden.