Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2021 in de zaken tussen
[naam 1] B.V. te [plaats 1] ( [naam 1] ), appellante
de minister van Economische Zaken (minister), verweerder
[naam 3] B.V. te [plaats 3] ( [naam 3] ), appellante(gemachtigde: mr. J.M. de Heer)
de minister van Economische Zaken (minister), verweerder
waarbij als derde-partij aan de gedingen hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] .
Procesverloop
Overwegingen
Indien het aanwijzen van een netbeheerder als bedoeld in artikel 10, negende lid, niet is geschied binnen vier weken na de aanleg van een net dan wel onverwijld na het intrekken of vervallen van een eerdere aanwijzing, of indien er sprake is van een net waarvoor ten onrechte geen netbeheerder is aangewezen of instemming van Onze Minister met een aanwijzing ontbreekt, kan Onze Minister door aanwijzing van een naamloze of besloten vennootschap een netbeheerder van dat net aanwijzen.
economische eigendom: het krachtens een rechtsverhouding gerechtigd zijn tot alle rechten en bevoegdheden ten aanzien van een goed, met uitzondering van het recht op levering, en het gehouden zijn om alle verplichtingen ten aanzien van dat goed voor zijn rekening te nemen en daarmee het volledige risico van waardeverandering of tenietgaan van het goed te dragen, zonder dat het goed geleverd is;
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan [naam 3] te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de door [naam 3] gemaakte kosten in beroep tot een bedrag van € 1.335,-.
de uitspraak te tekenen de uitspraak te tekenen