ECLI:NL:CBB:2021:421
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.C.E. Winfield
- T. Kuiper
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van Meststoffenwet
Appellant exploiteert een melkveehouderij en betwist het door de minister vastgestelde fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet. Hij voert aan dat het stelsel van fosfaatrechten onvoldoende grondslag biedt, dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun en dat hem een individuele en buitensporige last wordt opgelegd vanwege investeringen in de verbouwing van stallen en omschakeling van varkens naar melkvee.
Het College overweegt dat het fosfaatrechtenstelsel verenigbaar is met de Nitraatrichtlijn en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en dat eerdere uitspraken deze rechtmatigheid bevestigen. Het beroep op motiveringsgebrek wordt verworpen omdat verweerder inhoudelijk op de gronden is ingegaan.
Ten aanzien van de individuele last stelt het College dat niet ieder vermogensverlies een buitensporige last vormt. De investeringsbeslissingen van appellant worden gezien als ondernemersrisico's die voor zijn rekening komen. Gezien het tijdstip en de omvang van de investeringen acht het College deze niet navolgbaar en concludeert dat appellant voldoende fosfaatrechten heeft gekregen om het verlies van de varkenstak te compenseren.
Het belang van milieubescherming en naleving van de Nitraatrichtlijn weegt zwaarder dan de belangen van appellant. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.