ECLI:NL:CBB:2021:473
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van Meststoffenwet
Appellante, opgericht in december 2017, nam het bedrijf over van een eenmanszaak en maakte bezwaar tegen de vaststelling van het fosfaatrecht door verweerder op grond van de Meststoffenwet. Verweerder had het fosfaatrecht vastgesteld op basis van de situatie op 2 juli 2015 en gecorrigeerd op grond van luchtfoto’s en andere gegevens.
Appellante voerde aan dat de vaststelling onjuist was vanwege een rekenfout, strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van reformatio in peius, en dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last opleverde in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM. Verweerder betwistte deze stellingen en stelde dat de vaststelling juist was en dat de investeringen van appellante niet navolgbaar waren.
Het College oordeelde dat verweerder het fosfaatrecht juist had vastgesteld en dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat er sprake was van een rekenfout of strijd met rechtszekerheid of reformatio in peius. Het fosfaatrechtenstelsel werd niet in strijd geacht met artikel 1 van Pro het EP, mede omdat appellante geen bedrijfseconomische noodzaak had voor de investeringen en de uitbreiding van het bedrijf een ondernemersrisico betrof.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vaststelling van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.