ECLI:NL:CBB:2021:647
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenvaststelling en individuele last onder Meststoffenwet
Appellante exploiteert een melkveebedrijf en had uitbreidingsplannen die zij vanaf 2011 gefaseerd heeft uitgevoerd. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de situatie op 2 juli 2015, met een generieke korting, en wees het verzoek om toepassing van de knelgevallenregeling af. Appellante stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar disproportioneel belast en dat haar investeringen noodzakelijk waren voor bedrijfsaanpassing.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en noodzakelijk is op grond van de Nitraatrichtlijn. De investeringsbeslissingen van appellante werden gezien als ondernemersrisico's die zij zelf draagt. De uitvoering van haar uitbreidingsplannen was niet voortvarend en vond plaats terwijl al duidelijk was dat groei beperkt zou worden.
De tijdelijke verhuur van grond werd als een bewuste keuze beoordeeld, niet als gevolg van ziekte, en bracht geen individuele en buitensporige last mee. Het College concludeerde dat de belangen van milieu en volksgezondheid zwaarder wegen dan de belangen van appellante en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vaststelling van haar fosfaatrechten is ongegrond verklaard.