Appellante, een melkveehouder, stelde beroep in tegen de vaststelling van haar fosfaatrecht in 2018, omdat in het primaire en bestreden besluit een te lage melkproductie was gehanteerd. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het beroep gegrond verklaard en het fosfaatrecht verhoogd. Vervolgens verzocht appellante om schadevergoeding wegens het te laag vastgestelde fosfaatrecht in de jaren 2018-2020, onderbouwd met een schaderapport.
Verweerder erkende de onrechtmatigheid van het besluit, maar stelde dat deze niet aan hem toe te rekenen was omdat appellante niet tijdig de juiste melkproductie had doorgegeven na een servicemelding en in bezwaar. Het College oordeelde dat appellante de onderzoeksplicht van verweerder niet kon doorbreken door pas in beroep de onjuiste melkproductie aan te voeren. Hierdoor kon verweerder het fosfaatrecht eerder niet corrigeren.
Het verzoek om schadevergoeding wegens het te lage fosfaatrecht werd afgewezen, mede omdat appellante onvoldoende causaal verband en daadwerkelijke schade had aangetoond. Wel stelde het College vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden, waardoor een immateriële schadevergoeding van €500,- werd toegekend. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten van €374,- aan appellante.