ECLI:NL:CBB:2021:721
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond: geen rekening met verpachte percelen bij vaststelling fosfaatruimte melkveebedrijf
Appellante exploiteert een melkveehouderij en heeft vijf percelen landbouwgrond tijdelijk verpacht aan een ander bedrijf met dezelfde vennoten. Zij stelde dat deze verpachte percelen bij de bepaling van haar fosfaatruimte hadden moeten worden meegeteld, zodat zij als grondgebonden bedrijf zou worden aangemerkt. Verweerder had deze percelen niet meegenomen omdat zij op de peildatum niet tot het bedrijf van appellante behoorden. Het College oordeelde dat alleen de grond die op de peildatum tot het bedrijf behoort, in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van de fosfaatruimte.
Het College stelde vast dat appellante en het andere bedrijf zelfstandige, los van elkaar opererende bedrijven zijn, ondanks dezelfde vennoten. De keuze om twee gescheiden bedrijven te voeren kan gunstige en ongunstige rechtsgevolgen hebben. Het feit dat de meeste mest van appellante op de verpachte grond wordt afgezet, leidt niet tot een andere beoordeling. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een eenmalige en tijdelijke verpachting die een uitzondering rechtvaardigt.
Verder is het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet geslaagd omdat verweerder in vergelijkbare gevallen ook geen rekening houdt met verpachte percelen. Ook het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM faalt omdat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de korting op het fosfaatrecht blijft van kracht.