ECLI:NL:CBB:2021:847
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken ontheffing essentiële wijzigingen SDE-projecten houtgestookte productie-installaties
Appellanten, dochtervennootschappen van [naam 5] B.V., hadden SDE-subsidies ontvangen voor drie houtgestookte productie-installaties (BP1, BP3 en BP7) die gerealiseerd moesten worden in een kas. Zij verzochten om ontheffing om deze productie-installaties in ketelhuizen te mogen realiseren, waarvoor ten tijde van de subsidieaanvragen nog geen omgevingsvergunningen waren verleend.
Verweerder wees deze verzoeken af omdat de wijzigingen als essentieel werden aangemerkt en ontheffing vereist is volgens artikel 62, derde lid, van het Besluit SDE. Het College oordeelt dat appellanten bewust eerder subsidie hebben aangevraagd dan mogelijk was met de benodigde vergunningen, om financieel voordeel te behalen, en dat zij de subsidie hebben gekregen onder de voorwaarde de projecten conform de oorspronkelijke vergunning uit 2010 te realiseren.
Het College bevestigt dat de wijzigingen een essentiële wijziging van het project betreffen en dat verweerder terecht zijn discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend door de ontheffingsverzoeken af te wijzen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verzoeken om ontheffing voor essentiële wijzigingen in de SDE-projecten wordt ongegrond verklaard.