ECLI:NL:CBB:2021:905

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
24 september 2021
Zaaknummer
19/1563
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:37 AwbArt. 8:38 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond wegens onjuiste bekendmaking uitspraak en niet tijdige aanvang hogerberoepstermijn

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven had het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening en niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

In het verzet is gebleken dat de rechtbank de uitspraak aanvankelijk aangetekend aan het juiste adres heeft verzonden, maar deze brief is niet afgehaald. Vervolgens is de uitspraak per gewone post aan het oude adres verzonden, waar de gemachtigde geen toegang meer had. Hierdoor is de uitspraak niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt zoals vereist in artikel 8:38 Awb Pro.

Het College oordeelt dat hierdoor de hogerberoepstermijn niet op de oorspronkelijke datum is aangevangen, maar pas op het moment dat de uitspraak op het juiste adres is ontvangen. Het hogerberoepschrift is daardoor tijdig ingediend. Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en het onderzoek wordt voortgezet.

Er wordt geen veroordeling in proceskosten opgelegd. De uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2021.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt voortgezet omdat de uitspraak niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1563

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2021 op het verzet van

[naam ] , h.o.d.n. [naam onderneming] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: A.J.M. El Kadi)

Procesverloop

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2019, zaaknummer 18/3053 (aangevallen uitspraak).
Bij uitspraak van 20 juli 2021 heeft het College met toepassing van de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft tegen de uitspraak van 20 juli 2021 verzet gedaan.

Overwegingen

1. Het College heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
2. Het College overweegt in verzet, gedeeltelijk ambtshalve, het volgende. De gemachtigde heeft tijdens de procedure bij de rechtbank een nieuw (kantoor)adres doorgegeven. De rechtbank heeft een afschrift van de aangevallen uitspraak bij brief van 12 juli 2019 aangetekend verzonden aan het juiste (nieuwe) adres. Die brief is op 17 juli 2019 als “niet afgehaald” bij de rechtbank terugontvangen. Vervolgens heeft de rechtbank de aangevallen uitspraak bij niet-aangetekende brief van 18 juli 2019 opnieuw verzonden, maar nu aan het oude adres. Tot dat adres had de gemachtigde geen toegang meer. Nadat de gemachtigde telefonisch contact met de rechtbank had opgenomen, is de aangevallen uitspraak op 20 september 2019 aan het juiste adres verzonden. Op 16 oktober 2019 is het hogerberoepschrift ontvangen. Het College stelt vast dat de rechtbank met de verzending van de brief van 18 juli 2019 aan het oude adres heeft gehandeld in strijd met artikel 8:38 van Pro de Awb. Het College is van oordeel dat aldus de aangevallen uitspraak niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat de aangevallen uitspraak bij de brief van 12 juli 2019 (wel) aan het juiste adres is verzonden is niet voldoende. Dat is zo, omdat met de artikelen 8:37, eerste lid, en 8:38 van de Awb gezamenlijk is beoogd zoveel mogelijk te verzekeren dat het betrokken poststuk de geadresseerde daadwerkelijk bereikt. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van Pro de Awb is de hogerberoepstermijn daarom niet aangevangen op 13 juli 2019 maar op 21 september 2019. Het hogerberoepschrift is daarom tijdig ingediend.
3. Uit 2 volgt dat het verzet gegrond moet worden verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van 20 juli 2021 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van
E.A. van der Meel, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 28 september 2021.
w.g. T.G.M. Simons w.g. E.A. van der Meel