ECLI:NL:CBB:2021:929
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging randvoorwaardenkorting wegens niet-emissiearm gebruik van drijfmest op bouwland
Appellante kreeg een randvoorwaardenkorting van 20% opgelegd op haar rechtstreekse landbouwbetalingen over 2019 vanwege niet-emissiearm aanwenden van drijfmest op bouwland. Tijdens een controle door de NVWA op 13 april 2019 werd vastgesteld dat de mest niet volledig in sleufjes in de grond was gebracht, maar deels op de grond en tussen het gewas lag. Tevens waren enkele sleufjes mogelijk breder dan toegestaan.
Appellante betwistte de niet-naleving en stelde dat de mest netjes was aangebracht met de sleepslangmethode, waarbij een redelijke marge moet gelden. Ook voerde zij aan dat zij geen opzet had, omdat de loonwerker zelfstandig handelde en de grond hard was, waardoor diepe sleuven niet mogelijk waren. Daarnaast vroeg zij om de strafrechtelijke procedure tegen de loonwerker af te wachten.
Het College oordeelde dat de bevindingen van de toezichthouders en de ondersteunende foto's voldoende bewijs vormen voor de niet-naleving. De tekst van de regelgeving laat geen ruimte voor een redelijke marge bij het gebruik van het woord 'uitsluitend'. Verder stelde het College vast dat appellante door het ontbreken van toezicht en instructies aan de loonwerker (voorwaardelijke) opzet kan worden toegerekend.
De opgelegde korting van 20% is in overeenstemming met de regelgeving en de ernst van de overtreding. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding het beroep aan te houden vanwege de lopende strafrechtelijke procedure tegen de loonwerker.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de randvoorwaardenkorting van 20% gehandhaafd.