Appellant, een melkveehouder, had fosfaatrechten die aanvankelijk op 22 kg waren vastgesteld, maar later door verweerder bij een primair besluit op 0 kg werden gesteld. Dit leidde tot afwijzing van de overdracht van 22 kg fosfaatrechten aan een derde. Appellant stelde dat hij hierdoor schade had geleden omdat de waarde van zijn fosfaatrechten was gedaald en hij deze niet kon verkopen of verhuren.
Het College oordeelde dat het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk was omdat het vervangingsbesluit het bestreden besluit had vervangen. Het vervangingsbesluit herstelde het fosfaatrecht van appellant naar 22 kg, waarmee de grondslag voor afwijzing van de overdracht kwam te vervallen. Het College vernietigde het vervangingsbesluit voor zover het bezwaar tegen de afwijzing van de overdracht ongegrond werd verklaard en herroept het besluit van 20 oktober 2018.
Bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding stelde het College dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij schade had geleden. De stelplicht en bewijslast lagen bij appellant, die niet had onderbouwd dat hij zijn fosfaatrechten eerder voor een hogere prijs had kunnen verkopen of dat verhuur in zijn bedrijfsvoering paste. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.
Het College bepaalde dat appellant het betaalde griffierecht vergoed krijgt, maar dat er geen aanleiding was voor vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 19 oktober 2021 door mr. J.L. Verbeek.