Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2021 in de zaak tussen
veehandel [naam 1] , te [plaats] , appellante,
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Overwegingen
- De (alsnog) ontvangen fosfaatrechten zijn in (verkoop)waarde gedaald. Appellante heeft 60 kg verkocht voor netto € 183,- en 35 kg verkocht voor netto € 225,-. De huidige waarde van fosfaatrechten is € 125,-. Hierdoor loopt appellante € 6.980,- mis.
- Door de verhoging van het afromingspercentage van 10% naar 20% over de resterende 105,56 kg verliest appellante 10,56 kg fosfaat. Deze had zij anders kunnen verkopen voor € 125,-. Hierdoor loopt appellante € 1.319,50 mis.
- Appellante kon de door haar gesloten verkoopovereenkomsten niet ontbinden. Als gevolg daarvan moest zij de door haar verkochte fosfaatrechten, die inmiddels door verweerder waren ingetrokken, elders aankopen om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen. Appellante heeft 60 kg verkocht voor € 183,- maar aangekocht voor € 216,- en 54,32 kg verkocht voor € 225,- maar aangekocht voor € 233,-. In totaal komt dit verlies neer op € 2.414,56.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het vervangingsbesluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de door appellante geleden schade ter hoogte van
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
- bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht in de procedure met zaaknummer 19/439 van € 345,- dient te vergoeden.