Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder over de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van haar landbouwpercelen voor het jaar 2019 binnen het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Verweerder had het primaire besluit herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling gewijzigd vastgesteld. Het geschil betrof met name de juiste vaststelling van de grenzen van diverse percelen, waarbij appellante stelde dat verweerder de oppervlakte van meerdere percelen te klein had vastgesteld.
Het College heeft op basis van door verweerder overgelegde luchtfoto’s en toelichting vastgesteld dat verweerder de perceelsgrenzen juist heeft vastgesteld, waarbij hij veelal uitging van de grens tussen land en water. Appellante had percelen deels ingetekend in sloten of op verhardingen, die niet subsidiabel zijn. Het College oordeelde dat de marges van maximaal 2% bij vaststelling van referentiepercelen geoorloofd zijn en dat verweerder terecht geen aanpassing hoefde te doen.
Het beroep tegen het bestreden besluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, nu het vervangingsbesluit het bestreden besluit had ingetrokken. Het beroep tegen het vervangingsbesluit werd ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van appellante, waaronder het betaalde griffierecht en een bedrag voor rechtsbijstand.
De uitspraak bevestigt de toepassing van de regels omtrent subsidiabele hectares en de marges bij oppervlaktevaststelling binnen het GLB en benadrukt het belang van nauwkeurige vaststelling van perceelsgrenzen op basis van luchtfoto’s en veldkennis.