Appellante vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020. Verweerder wees de aanvraag af omdat appellante op 15 maart 2020 in het handelsregister stond ingeschreven met een SBI-code die niet in de bijlage van de TVL-regeling voorkomt, namelijk 64.20 (Financiële holdings), terwijl de feitelijke bedrijfsomschrijving aansloot bij een wel toegestane SBI-code 59.12.
Het College oordeelde dat de regeling ten onrechte geen voorziening bevat voor ondernemers die niet aan de formele SBI-code-voorwaarde voldoen maar wel feitelijk tot de doelgroep behoren. Hoewel bij latere TVL-regelingen vanaf Q1 2021 rekening is gehouden met feitelijke activiteiten, ontbrak een dergelijke hardheidsclausule voor Q4 2020. Dit is in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Het College stelde vast dat het belang van de uitvoerbaarheid van de regeling aanvankelijk zwaar woog, maar dat de belangen van ondernemers die buiten de boot vallen door de langdurige coronamaatregelen zwaarder zijn geworden. Daarom acht het College het passend om de formele SBI-code-voorwaarde buiten toepassing te laten voor deze groep ondernemers en vernietigde het het bestreden besluit. Verweerder moet binnen vier weken een nieuw besluit nemen rekening houdend met de feitelijke activiteiten. Verweerder is veroordeeld in de proceskosten van appellante.