ECLI:NL:CBB:2022:134
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling forfaitair S&O-uurloon voor nieuwe inhoudingsplichtige binnen ondernemingsgroep
Appellante, een in 2020 nieuw opgerichte holdingmaatschappij binnen een bestaande ondernemingsgroep, betwistte het forfaitaire S&O-uurloon van €29 dat door verweerder werd vastgesteld. Zij stelde dat het uurloon op het hogere loon van haar enige werknemer in het referentiejaar 2018 had moeten worden gebaseerd, omdat sprake was van voortzetting van dezelfde S&O-activiteiten en een doorlopende arbeidsrelatie.
Het College oordeelde dat appellante als nieuwe inhoudingsplichtige in het referentiejaar 2018 geen S&O-werk verrichtte en daarom het forfaitaire uurloon van €29 geldt volgens artikel 23, vijfde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva). De wettelijke definities laten geen ruimte voor afwijking, en de door appellante genoemde afwijkingsbevoegdheid uit de Algemene wet bestuursrecht is niet toepasbaar op deze wettelijke bepalingen.
Het College benadrukte dat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet verbiedt wetten te toetsen aan algemene rechtsbeginselen, waardoor de rechter niet mag treden in de belangenafweging van de wetgever. Alleen bij bijzondere, niet verdisconteerde omstandigheden die strijdig zijn met rechtsbeginselen kan hiervan worden afgeweken, maar die zijn hier niet gebleken.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt dat nieuwe inhoudingsplichtigen binnen een groep het forfaitaire uurloon moeten hanteren als zij in het referentiejaar geen S&O-werk verrichtten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het forfaitaire S&O-uurloon van €29 blijft van toepassing.