Appellante heeft een melding ingediend voor de overdracht van 148 kg fosfaatrechten van een vervreemder, die door verweerder is afgewezen omdat de vervreemder volgens het besluit niet over voldoende fosfaatrechten beschikte. Appellante stelde dat deze afwijzing onrechtmatig was vanwege een fout van verweerder bij de herbeoordeling van de fosfaatrechten van de vervreemder.
Het College oordeelt dat de afwijzing terecht was op grond van de dwingendrechtelijke bepalingen van de Meststoffenwet, omdat de vervreemder op het moment van besluitvorming geen rechten had om over te dragen. Het beroep van appellante op gelijke gevallen vóór 29 maart 2018 wordt verworpen omdat de overdracht aan haar niet voor die datum was geregistreerd.
Verder stelt het College vast dat appellante geen belanghebbende is bij het besluit over de fosfaatrechten van de vervreemder en dat haar schade voortvloeit uit een contractuele relatie, waardoor geen onrechtmatig besluit jegens haar is genomen. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
Wel is de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure overschreden, waardoor appellante recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500,-. Deze wordt verdeeld tussen verweerder en de Staat. Tevens worden verweerder en de Staat ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van appellante wegens de overschrijding.