Appellante, een producent van toneelproducties, diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL). Verweerder wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Na beroep stelde verweerder een vervangingsbesluit vast met een voorlopige subsidie.
Het geschil betreft de vraag of inkomsten uit fondsenwerving als omzet in de zin van de TVL moeten worden meegeteld bij de berekening van de subsidie. Verweerder baseerde zich op de Wet op de omzetbelasting (Wet OB) en het Mohr-arrest, stellende dat fondsenwerving geen omzet is. Appellante betoogde dat de TVL een eigen definitie van omzet kent en dat fondsenwerving wel degelijk als opbrengst uit levering van diensten moet worden beschouwd.
Het College oordeelt dat de TVL een zelfstandige omzetdefinitie hanteert en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom fondsenwerving niet als omzet zou gelden. Het niet meenemen van deze inkomsten leidt tot een onjuiste subsidieberekening, wat haaks staat op het doel van de TVL. Het College constateert een motiveringsgebrek en draagt verweerder op dit binnen vier weken te herstellen, waarna appellante gelegenheid krijgt tot reactie. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.