Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante
)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL), maar deze werd afgewezen omdat de SBI-code waaronder zij op 15 maart 2020 in het handelsregister stond ingeschreven niet in de bijlage van de regeling voorkwam.
Appellante stelde dat haar feitelijke activiteiten destijds niet overeenkwamen met de geregistreerde SBI-code en dat zij later een aanpassing van de SBI-code met terugwerkende kracht had laten doorvoeren. Zij voerde aan dat het besluit in strijd was met het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar eerdere uitspraken.
Het College oordeelde dat de regeling geen ruimte biedt om rekening te houden met feitelijke activiteiten of latere aanpassingen in het handelsregister na de peildatum. De verantwoordelijkheid voor de juiste inschrijving ligt bij appellante. Bovendien was de situatie van appellante niet vergelijkbaar met andere subsidieontvangers die wel correct waren ingeschreven.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat de SBI-code op de peildatum niet recht gaf op subsidie.