ECLI:NL:CBB:2022:369
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffing diergezondheidsfonds 2018 en exceptieve toetsing wijzigingswet
Het beroep betreft de heffing Diergezondheidsfonds 2018 opgelegd aan een pluimveebedrijf dat vanaf oktober 2018 is gestart. De appellant betoogt dat het onrechtvaardig is dat zij mede betaalt aan tekorten uit 2015-2017, omdat zij toen nog niet actief was. Het College overweegt dat de wijziging van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren per 1 januari 2018 een nieuw heffingsstelsel introduceert waarbij de kosten van bestrijding en preventie van dierziekten collectief worden gedragen door de sector.
Het College benadrukt dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro inhoudt dat wetten niet aan algemene rechtsbeginselen mogen worden getoetst, tenzij bijzondere omstandigheden niet zijn verdisconteerd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de tariefstructuur is bedoeld om tekorten over een periode van vijf jaar weg te werken, ook voor uitgaven vanaf 2015. Dit is voorzienbaar en aanvaardbaar geacht.
De collectieve financiering betekent dat ook nieuwe pluimveebedrijven bijdragen aan de tekorten, ongeacht hun startdatum. Het College ziet hierin geen bijzondere omstandigheid die een afwijking van de strikte toepassing van de wet rechtvaardigt. Daarom verklaart het beroep ongegrond en wijst het bezwaar af.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffing Diergezondheidsfonds 2018 wordt ongegrond verklaard en de heffing blijft gehandhaafd.