ECLI:NL:CBB:2022:370
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffing Diergezondheidsfonds 2018 voor pluimveehouder zonder uitzonderingsregeling
Bij besluit van 13 december 2019 heeft de minister van Landbouw de diergezondheidsheffing 2018 voor appellante vastgesteld op €5.042,39. Appellante, een pluimveehouder, stelde bezwaar tegen deze heffing omdat de dieren in september 2018 nieuw op het bedrijf waren en zij meende dat deze niet mee mochten tellen voor het wegwerken van tekorten uit voorgaande jaren. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna appellante beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Het College overwoog dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro het toetsen van wetten aan algemene rechtsbeginselen verbiedt, maar dat bijzondere omstandigheden die niet door de wetgever zijn verdisconteerd aanleiding kunnen geven tot een afwijkende uitkomst. De heffing is gebaseerd op een herzien stelsel waarbij de kosten van bestrijding en preventie van dierziekten collectief worden gedragen door het bedrijfsleven, ongeacht het individuele risico of de duur van het houden van dieren.
Het College concludeerde dat het feit dat appellante in 2018 voor het eerst opfokouderdieren hield, geen bijzondere omstandigheid is die niet door de wetgever is meegenomen. De heffing is bedoeld om tekorten uit de periode 2015-2017 weg te werken en geldt voor alle pluimveehouders, ook nieuwkomers. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffing Diergezondheidsfonds 2018 wordt ongegrond verklaard.