ECLI:NL:CBB:2022:371
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling diergezondheidsheffing 2018 voor pluimveehouder met bijplaatshanen
Appellant, een pluimveehouder actief in de vermeerderingssector, maakte bezwaar tegen de opgelegde diergezondheidsheffing 2018, specifiek vanwege de heffing over bijplaatshanen die worden ingezet ter vervanging van uitgevallen hanen. De heffing werd vastgesteld op € 88,65 en het bezwaar werd ongegrond verklaard.
Het College overwoog dat de heffing is gebaseerd op de gewijzigde Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) die sinds 2018 een nieuw heffingsstelsel kent, waarbij pluimveehouders worden aangeslagen op basis van het aantal dieren per koppel per periode. Dit systeem wijkt af van het eerdere systeem dat uitging van het gemiddelde aantal dieren per kalenderjaar.
De appellant stelde dat de heffing onevenredig is en dat er geen regeling is voor bijzondere omstandigheden zoals bijplaatshanen. Het College oordeelde dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro beperkingen stelt aan het toetsen van wetten aan algemene rechtsbeginselen, maar dat uitzonderingen mogelijk zijn bij bijzondere omstandigheden die niet door de wetgever zijn meegewogen.
Uit de wetsgeschiedenis bleek dat de heffing is bedoeld als collectieve financiering van de bestrijding van dierziekten, waarbij alle pluimveehouders profiteren en het risico als normaal bedrijfsrisico geldt. Het College zag in de situatie van bijplaatshanen geen bijzondere omstandigheid die een afwijking van de wet rechtvaardigt. Ook het verhoogde insleeprisico bij verplaatsing van koppels werd als rechtvaardiging genoemd.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de diergezondheidsheffing 2018 is ongegrond verklaard en de heffing blijft van kracht.