Appellante, een VOF, kreeg op 23 januari 2020 twee primaire besluiten opgelegd door verweerder vanwege overtredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren: een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom. Bij besluiten van 1 oktober 2020 werden de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Appellante stelde beroep in tegen deze bestreden besluiten.
Tijdens de procedure stelde het College vast dat appellante geen belang meer had bij inhoudelijke beoordeling van de beroepen, omdat verweerder had laten weten dat aan de last onder bestuursdwang en dwangsom was voldaan en bovendien ter zitting had toegezegd de in bezwaar gemaakte kosten voor professionele rechtsbijstand te vergoeden. Hierdoor werden de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Verder oordeelde het College dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase was overschreden, waarbij de overschrijding zowel aan verweerder als aan het College kon worden toegerekend. Appellante kreeg daarom een immateriële schadevergoeding van in totaal €1.000,- toegewezen, verdeeld over verweerder en de Staat.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en werden zowel verweerder als de Staat veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante, waarbij de kosten werden verdeeld naar rato van de overschrijding. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 19 juli 2022.