Appellante heeft een subsidieaanvraag ingediend op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020. De aanvraag werd afgewezen omdat de vaste lasten, berekend op basis van de omzet in de referentieperiode Q4 2019, niet minimaal € 3.000 bedroegen. Appellante stelde dat haar omzet in de referentieperiode lager was door een vakantiesluiting en verzocht om een alternatieve berekening.
Verweerder wees dit verzoek af omdat de regeling geen afwijkingen van de referentieperiode toestaat, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen zoals brand of ernstige ziekte, wat hier niet aan de orde was. Het College oordeelde dat de regeling geen hardheidsclausule bevat en dat de vakantiesluiting geen bijzondere omstandigheid vormt die een uitzondering rechtvaardigt.
Het beroep van appellante werd daarom ongegrond verklaard. Het College benadrukte dat de regeling is ontworpen om snel en generiek te worden uitgevoerd en dat uitzonderingen alleen in uitzonderlijke situaties worden gemaakt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.