Bpf HiBiN had aan Royal Roofing Materials B.V. (RRM) een vrijstelling verleend van verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds, zolang RRM deel uitmaakte van de CRH-groep. Na het vertrek van RRM uit deze groep trok Bpf HiBiN de vrijstelling in omdat de pensioenregeling niet langer financieel gelijkwaardig zou zijn. De rechtbank vernietigde dit besluit en stelde dat de vrijstelling herleefde.
In hoger beroep bevestigde het College dat Bpf HiBiN de vrijstelling niet mocht intrekken op grond van het vertrek uit de CRH-groep, omdat eerdere communicatie van Bpf HiBiN het groepscriterium had laten vallen, wat het vertrouwensbeginsel schond. Daarnaast oordeelde het College dat de intrekking wegens vermeende financiële ongelijkheid onvoldoende was gemotiveerd, omdat Bpf HiBiN niet de gehele pensioenregeling had betrokken en de belangen van de werknemers onvoldoende had meegewogen.
Het College benadrukte dat intrekking van een vrijstelling een discretionaire bevoegdheid is die een zorgvuldige belangenafweging vereist, waarbij het belang van de werknemers voorop staat. Ook de marginale verschillen in dekkingsgraden en de situatie op de financiële markten maakten intrekking onredelijk. Het hoger beroep van Bpf HiBiN werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.